Stierf Jezus aan het kruis?

Introductie

Jezus (as) begon zijn missie om Gods boodschap aan zijn volk over te brengen. De Joden beschuldigden hem er echter van de wetten van de Torah af te schaffen. Jezus (as) probeerde te verduidelijken dat hij niet was gekomen om de wet te veranderen, maar dat hij juist kwam om deze te vervullen. De Joden waren echter doof voor zijn vermaningen.

Ook begon Jezus (as) zijn wonderen aan de mensen te tonen. Zijn leringen en wonderbaarlijke genezingen trokken al snel veel aandacht. De Joden waren bang dat hun leiderschap zou worden vervangen door de persoon die door God was gezonden. Ze wilden heel graag iets doen om hun machtspositie te behouden en van Jezus (as) af te komen. Ook stond in de Bijbel, in Deuteronomium 21:23, vermeld dat degene die sterft aan het kruis, vervloekt is. De Joden probeerden daarom Jezus (as) te kruisigen, zodat kon worden bewezen dat hij een valse profeet was (God verhoede).

Hoewel profeten vaak hevige tegenstand ervaren, is het de praktijk van de Almachtige God dat Hij Zijn geliefde profeten altijd bijstaat en Zijn vijanden nooit laat zegevieren. Daarom redde God Jezus (as) van een vernederende en vervloekte dood aan het kruis.

“En om hun zeggen: “Wij hebben de Messias, Jezus, zoon van Maria, de boodschapper van Allah gedood”, – maar zij doodden hem niet, noch kruisigden zij hem (ten dode).” (Koran 4:158)

De Heilige Koran heeft categorisch verklaard dat de Joden faalden in hun opzet om Jezus (as) te doden aan het kruis. Er zijn verschillende vermeldingen in de Bijbel te vinden die deze zienswijze ondersteunen, waarvan een aantal zal worden behandeld.

Bewijs 1: Soortgelijk teken als dat van Jonas (as)

In de Bijbel vinden we een intrigerende passage waarin Jezus (as) voorspelt dat hij een teken zal geven dat vergelijkbaar is met dat van de profeet Jonas (as). In het Evangelie volgens Matteüs staat geschreven:

“En hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, de profeet. Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten in de buik van de walvis was, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn.” (Matteüs 12:39-40)

Deze verklaring van Jezus (as) is van groot belang voor het begrijpen van de aard van zijn ervaring tijdens de kruisiging en de gebeurtenissen die erop volgden. Om de betekenis ervan ten volle te begrijpen, is het noodzakelijk om eerst het verhaal van Jonas (as) nader te bekijken.

Volgens het Bijbelse verslag werd Jonas (as) door God geroepen om naar de stad Nineve te gaan en haar inwoners te waarschuwen voor het naderende oordeel vanwege hun zonden. Maar Jonas (as) vluchtte weg van deze verantwoordelijkheid en scheepte zich in op een schip dat in de tegenovergestelde richting voer. Tijdens een hevige storm op zee realiseerde Jonas (as) zich zijn fout en bood aan om overboord te worden gegooid om de bemanning te redden.

Het cruciale moment in het verhaal komt wanneer Jonas (as) wordt opgeslokt door een grote vis (vaak afgeschilderd als een walvis). De Bijbel zegt:

“En Jonas was in de buik van de vis drie dagen en drie nachten.” (Jonas 1:17)

Ondanks de benarde en schijnbaar hopeloze situatie waarin hij zich bevond, bleef Jonas (as) in leven in de buik van de vis. Hij bad tot God vanuit de diepten, en na drie dagen en drie nachten beval God de vis om Jonas (as) uit te spuwen op het droge land. Jonas (as) ging de vis levend in, bleef levend in de buik van de vis, en kwam er levend weer uit.

Jezus (as) gebruikte dit opmerkelijke voorval als een teken om zijn eigen lot aan te duiden. Net als Jonas (as) zou Jezus (as) “drie dagen en drie nachten in het hart der aarde” doorbrengen, verwijzend naar de tijd die hij in het graf zou doorbrengen na de kruisiging. De implicatie is duidelijk: net als Jonas (as) zou Jezus (as) deze beproeving levend doormaken en er levend uit tevoorschijn komen.

Dit is een cruciaal punt, want als Jezus (as) daadwerkelijk aan het kruis was gestorven en op de derde dag uit de dood was opgewekt, zoals algemeen wordt aangenomen in de traditionele christelijke doctrine, dan zou zijn ervaring fundamenteel verschillend zijn geweest van die van Jonas (as). Het wonder van Jonas (as) was niet dat hij stierf en weer tot leven kwam, maar dat hij een schijnbaar dodelijke situatie overleefde door Gods genade en bescherming.

Evenzo suggereert Jezus’ (as) eigen voorspelling dat hij, net als Jonas (as), de beproeving van de kruisiging en begrafenis zou overleven, niet dat hij uit de dood zou worden opgewekt. Als Jezus (as) werkelijk was gestorven aan het kruis en drie dagen later was opgestaan, zou de parallel met Jonas (as) niet opgaan. Het teken dat Jezus (as) gaf, was er één van overleving, niet van opstanding.

Bewijs 2: Smeekbede voor de kruisiging

Toen het duidelijk werd dat er geen ontsnappen mogelijk was aan de sluwe plannen van de Joden, wendde Jezus (as) zich tot God in oprecht gebed in de Tuin van Getsemane. De evangeliën geven een levendig verslag van zijn hartstochtelijke smeekbede:

“Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt.” (Matteüs 26:39)

Het is ondenkbaar dat een dergelijk oprecht en krachtig gebed, geuit door iemand zo dicht bij God als Jezus (as), de goddelijke troon niet zou hebben bereikt. Jezus (as) zelf onderwees zijn discipelen over de kracht van gebed, hen verzekerd:

“En al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen.” (Matteüs 21:22)

Als dit de belofte was die Jezus (as) aan zijn volgelingen deed, hoeveel te meer zou zijn eigen gebed dan niet verhoord worden door de Almachtige? Het is ondenkbaar dat God doof zou blijven voor de smeekbeden van Zijn geliefde Messias in zijn uur van nood.

Inderdaad, de evangeliën zelf leveren het bewijs dat Jezus’ gebed werd aanvaard en beantwoord. Lucas vertelt ons:

“En Hem verscheen een engel uit de hemel om Hem kracht te geven.” (Lucas 22:43)

Deze hemelse tussenkomst, op het hoogtepunt van Jezus’ lijden en angst, was een duidelijk teken dat zijn smeekbeden de oren van de Almachtige hadden bereikt. De komst van de engel om Jezus (as) te versterken, was een tastbaar bewijs van Gods antwoord op zijn gebed en een bevestiging dat Hij zijn geliefde dienaar niet in de steek zou laten.

Jezus (as) zelf erkende de macht die hij had om goddelijke hulp in te roepen, zelfs te midden van zijn beproeving. Tegen zijn discipelen zei hij:

“Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen?” (Matteüs 26:53)

Deze verklaring getuigt van Jezus’ voortdurende vertrouwen in Gods vermogen en bereidheid om hem te redden, zelfs in het aangezicht van schijnbaar overweldigende tegenstand. Het suggereert dat, als hij had gekozen om erom te vragen, hij goddelijke tussenkomst had kunnen inroepen om aan het lijden van het kruis te ontkomen.

Dat Jezus (as) uiteindelijk deze bovennatuurlijke ontsnappingsroute niet inriep, was geen teken dat zijn gebed onbeantwoord bleef, maar eerder een weerspiegeling van zijn toewijding om de wil van zijn Vader te doen en de missie te vervullen waarvoor hij was gezonden. Zoals hij in Getsemane bad: “Doch niet zoals Ik wil, maar zoals Gij wilt.” (Matteüs 26:39)

Toch, zelfs in zijn ultieme beproeving aan het kruis, verloor Jezus (as) nooit het vertrouwen dat zijn Vader hem zou redden. In wat traditioneel wordt beschouwd als zijn laatste woorden, riep hij uit:

“Eli, Eli, Lama Sabachtani?” dat is: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” (Matteüs 27:46)

Hoewel deze woorden vaak worden geïnterpreteerd als een schreeuw van verlatenheid en wanhoop, kunnen ze ook worden gezien als een uiting van Jezus’ voortdurend vertrouwen in God, zelfs te midden van ondraaglijk lijden. Zijn vraag suggereert verrassing en verbijstering dat de zaken zo ver waren gekomen – een reactie die moeilijk te rijmen valt met het idee dat hij volledig verwachtte te sterven aan het kruis.

In plaats daarvan lijken Jezus’ woorden een uiting van zijn onwankelbare geloof dat God, die zijn eerdere gebeden om verlossing had gehoord en beantwoord, hem uiteindelijk niet in de steek zou laten. Zelfs in de diepten van zijn lijden bleef hij vasthouden aan de overtuiging dat de Almachtige hem op de een of andere manier zou redden en ondersteunen, zoals Hij altijd had gedaan.

Voor moslims biedt deze interpretatie van Jezus’ smeekbeden en lijden een krachtige bevestiging van de koranische leer dat hij niet stierf aan het kruis, maar levend werd gered en een natuurlijke dood kwam te overlijden. Het stemt overeen met het islamitische begrip van Jezus (as) als een machtige profeet en beminde dienaar van God, wiens vertrouwen in zijn Heer nooit wankelde, zelfs niet in het aangezicht van de zwaarste beproevingen.

Bewijs 3: Korte duur aan het kruis

Hoewel veel details van de kruisiging verloren zijn gegaan met de ondergang van het Romeinse Rijk, is er voldoende historisch bewijs om aan te tonen dat deze specifieke executiemethode doorgaans minstens twee tot drie dagen duurde om het slachtoffer te doden. Het was meestal het langdurige lijden, bloedverlies en uithongering die uiteindelijk de dood veroorzaakten. In het geval van Jezus (as) was hij echter slechts enkele uren aan het kruis gehangen.

Volgens de Bijbelse verslagen werd Jezus (as) aan het kruis genageld op het derde uur (Marcus 15:25) en van het kruis afgenomen op het negende uur (Matteüs 27:46-50). Dit betekent dat Jezus (as) ongeveer zes uur aan het kruis hing, een opmerkelijk korte tijdspanne vergeleken met de gebruikelijke duur van deze straf.

Zes uur was eenvoudigweg niet genoeg tijd om iemand te doden door kruisiging alleen. Het menselijk lichaam is veerkrachtig en in staat om urenlang pijn en ontbering te doorstaan voordat het bezwijkt. Zonder bijkomend letsel of complicaties zou het zeer onwaarschijnlijk zijn dat iemand binnen zo’n korte tijdspanne zou overlijden.

De ongebruikelijk snelle ‘dood’ van Jezus (as) wekte inderdaad verbazing op bij degenen die het meest vertrouwd waren met de praktijk van kruisiging. Toen het nieuws van Jezus’ veronderstelde overlijden Pontius Pilatus bereikte, de Romeinse gouverneur die het bevel tot de executie had gegeven, was hij verbaasd te horen dat het zo snel was gegaan (Marcus 15:44).

Pilatus’ reactie is buitengewoon veelzeggend. Als hoogste Romeinse gezagsdrager in Judea had hij ongetwijfeld ruime ervaring met kruisigingen en was hij goed op de hoogte van het gebruikelijke verloop ervan. Dat zelfs hij verrast was door de snelheid van Jezus’ schijnbare dood, wijst erop hoe ongebruikelijk en onverwacht dit was.

Historische bronnen bevestigen dat kruisiging normaal gesproken een veel langere periode in beslag nam. De Joodse historicus Flavius Josephus, schrijvend in de eerste eeuw na Christus, beschreef gevallen van overlevenden van kruisigingen die na vele uren of zelfs dagen werden weggehaald. De Griekse biograaf Plutarchus vermelde individuen die tot tien dagen aan het kruis overleefden.

Moderne geleerden zijn tot vergelijkbare conclusies gekomen op basis van historisch bewijsmateriaal. “The New Bible Dictionary” stelt bijvoorbeeld: “De dood door deze methode duurde gewoonlijk behoorlijk lang, zelden minder dan 36 uur en soms wel 9 dagen.” (1962 ed., Intervarsity Press, p. 282)

Gezien deze overweldigende getuigenissen van de gebruikelijke lange duur van kruisigingen, rijst de vraag: op basis waarvan zouden we moeten aannemen dat Jezus (as) binnen zes uur stierf aan zijn verwondingen? Wat maakte zijn geval zo anders dan dat van talloze anderen die dezelfde straf ondergingen?

Een belangrijke factor die de korte duur van Jezus’ (as) kruisiging verklaart, is de timing ervan. De executie vond plaats op 14 Nisan, de dag voor Pesach of de Joodse Sabbat. Volgens de Joodse wet, die strikt werd gehandhaafd door de Romeinse autoriteiten, mocht geen lichaam gedurende de Sabbat aan het kruis blijven hangen.

Daarom moesten alle gekruisigden, inclusief Jezus (as), vóór zonsondergang van het kruis worden gehaald. Dit beperkte noodzakelijkerwijs de tijd die hij aan het kruis doorbracht tot slechts enkele uren, een fractie van de gebruikelijke duur.

Gezien deze omstandigheden is het veel aannemelijker dat Jezus (as) niet stierf aan het kruis, maar in een staat van diepe bewusteloosheid of coma raakte die door de soldaten voor dood werd aangezien. Dit stemt overeen met de verklaring van de Heilige Koran dat “het voor hen verward werd” (4:157) – ze veronderstelden ten onrechte dat Jezus (as) was overleden, terwijl hij in feite nog leefde.

Deze interpretatie wordt verder ondersteund door de Evangeliën zelf, die beschrijven hoe Jezus’ (as) lichaam haastig van het kruis werd gehaald en in een graf gelegd zonder de gebruikelijke Joodse begrafenisrituelen (Johannes 19:38-42). Als hij echt dood was geweest, zouden deze procedures zeker zijn gevolgd.

Bewijs 4: Ongebroken benen en de plotselinge bloedstroom

Een cruciaal aspect van de kruisiging van Jezus (as) dat vaak over het hoofd wordt gezien, is de behandeling van zijn lichaam nadat het van het kruis was afgenomen. Volgens de gebruikelijke Romeinse praktijk werden de benen van gekruisigde personen gebroken om hun dood te verzekeren. Dit wrede maar effectieve proces, bekend als “crurifragium”, versnelde het overlijden door verstikking te veroorzaken, omdat het slachtoffer niet langer zijn gewicht kon ondersteunen om adem te halen.

In het geval van Jezus (as) werd deze procedure echter niet uitgevoerd. De Bijbel vertelt ons dat twee dieven tegelijkertijd met Jezus (as) werden gekruisigd, en dat hun benen wel werden gebroken, wat resulteerde in hun dood. Maar toen de soldaten bij Jezus (as) kwamen, zagen ze dat hij al gestorven leek te zijn en braken daarom zijn benen niet (Johannes 19:32-33).

Dit is een opmerkelijk detail dat ernstige vragen oproept over de veronderstelde dood van Jezus (as). Als hij werkelijk was overleden aan het kruis, waarom zouden de soldaten dan afzien van de standaardprocedure om dit te bevestigen?

Nog verrassender is wat er daarna gebeurde. Johannes vertelt ons: “Maar één van de soldaten stak zijn speer in Jezus’ zij, en meteen kwam er bloed en water uit” (Johannes 19:34). Deze plotselinge uitstroom van bloed en water uit Jezus’ (as) lichaam is een veelzeggend teken dat hij op dat moment nog leefde.

Vanuit medisch oogpunt is het namelijk onmogelijk dat bloed en water uit een dood lichaam stromen. Wanneer iemand sterft, stopt het hart met pompen en stagneert de bloedcirculatie snel. Zonder de druk van het kloppende hart kan er geen actieve bloedstroom zijn, laat staan een plotselinge uitstorting zoals beschreven in het Evangelie.

De aanwezigheid van uitstromend bloed en water wijst daarentegen op een intact circulatiesysteem, waarin de speerwond een slagader of ader raakte en de druk van het pompende hart de inhoud naar buiten dreef. Het “water” kan pleuravocht zijn geweest, een vloeistof die aanwezig is tussen de longen en de borstwand, die vrijkwam toen de speer deze ruimte binnendrong.

De specifieke vermelding van “bloed en water” is ook significant. Bloed dat uit een dood lichaam lekt, zou donker en gestold zijn, niet helder en vloeibaar zoals hier beschreven. De afzonderlijke aanwezigheid van zowel bloed als heldere vloeistof (water) suggereert dat het hart actief pompte en zuurstofrijk bloed door de slagaders stuwde, terwijl het zuurstofarme bloed en andere vloeistoffen door de aders terugkeerden.

Dit punt was zo problematisch vanuit het oogpunt van de traditionele interpretatie van Jezus’ (as) dood, dat ten minste één vroege kerkvader, Origenes, het nodig vond om het aan te pakken. In zijn verhandeling “Contra Celsus” gaf Origenes toe dat bloed na de dood stolt en niet uit een lijk stroomt. Maar in plaats van de voor de hand liggende conclusie te trekken dat Jezus (as) nog leefde, verklaarde hij de bloedstroom tot een wonder dat verder geen verklaring behoeft.

Voor degenen die de kwestie echter met een open en onderzoekende geest benaderen, biedt de aanwezigheid van stromend bloed sterk bewijs dat Jezus (as) de kruisiging had overleefd. Het suggereert dat hij, hoewel ernstig verzwakt en gewond, nog steeds leefde toen hij van het kruis werd gehaald en in het graf werd gelegd.

Dit werpt ook nieuw licht op het doel en de betekenis van de speerwond zelf. In plaats van een genadeklap om Jezus’ (as) dood te verzekeren, zoals soms wordt aangenomen, lijkt het eerder een haastige en onnauwkeurige poging te zijn geweest om zijn toestand te controleren. Als de soldaat had willen doden, zou hij op de borst hebben gericht om het hart te doorboren, niet op de zijkant waar vitale organen gemakkelijk gemist konden worden.

Het feit dat hij deze preciezere methode niet gebruikte en in plaats daarvan slechts oppervlakkig in de zij stak, versterkt de indruk dat de soldaat niet zeker was van Jezus’ dood en misschien zelfs hoopte tekenen van leven uit te lokken. De resulterende stroom van bloed en water, hoe schokkend of onverwacht ook, was dus eigenlijk precies het bewijs dat hij zocht.

Bewijs 5: Pilatus probeerde Jezus (as) te redden

Een vaak over het hoofd gezien aspect van het verhaal van de kruisiging is de rol van Pontius Pilatus, de Romeinse gouverneur die het bevel gaf tot de executie van Jezus (as). Een zorgvuldige lezing van de evangeliën onthult dat Pilatus, in tegenstelling tot de populaire opvatting, eigenlijk overtuigd was van Jezus’ onschuld en verschillende pogingen ondernam om zijn leven te redden.

Een van de invloeden op Pilatus’ houding was een opmerkelijke droom die zijn vrouw had in de aanloop naar de kruisiging. In deze droom werd zij ervan overtuigd dat Jezus (as) een rechtvaardige man was en dat Pilatus niet betrokken moest raken bij zijn veroordeling. Zoals Matteüs vermeldt, stuurde zij haar man een boodschap met de volgende waarschuwing:

“Laat je niet in met deze Rechtvaardige, want ik heb vandaag in een droom veel om Hem geleden.” (Matteüs 27:19)

Deze droom lijkt een diepe indruk te hebben gemaakt op Pilatus en zijn twijfels over de rechtmatigheid van de beschuldigingen tegen Jezus (as) te hebben versterkt. Hoewel hij uiteindelijk toegaf aan de eisen van de Joodse menigte om Jezus (as) te kruisigen, deed hij dit met grote tegenzin en alleen onder intense druk en dreiging van oproer.

In feite ging Pilatus, voordat hij het fatale bevel gaf, zo ver dat hij in het openbaar zijn handen waste als een symbolisch gebaar om zijn eigen onschuld te verklaren. Zoals Matteüs vermeldt, riep hij uit voor de menigte:

“Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Rechtvaardige. U moet maar zien.” (Matteüs 27:24)

Deze opmerkelijke verklaring toont aan hoezeer Pilatus ernaar verlangde om afstand te nemen van de dood van iemand die hij als onschuldig beschouwde. Het suggereert dat hij, zelfs terwijl hij de officiële executieprocedure volgens de Romeinse wet volgde, persoonlijke manieren zocht om het leven van Jezus (as) te sparen.

Een zorgvuldige analyse van de evangeliën onthult ten minste drie specifieke stappen die Pilatus lijkt te hebben genomen in een poging om Jezus (as) te redden, zelfs terwijl hij toegaf aan de eis tot kruisiging:

Ten eerste koos hij de dag van de kruisiging strategisch, net voor de Joodse sabbat. Volgens de Joodse wet was het strikt verboden om lichamen tijdens de sabbat aan het kruis te laten hangen, wat betekende dat elke gekruisigde persoon vóór zonsondergang moest worden verwijderd. Door de executie op dit moment te plannen, verzekerde Pilatus dat Jezus (as) slechts enkele uren, in plaats van dagen, aan het kruis zou doorbrengen, waardoor de kans op overleving aanzienlijk werd vergroot.

Ten tweede, toen de Joden Pilatus vroegen om de benen van de gekruisigden te breken om hun dood te bespoedigen (Johannes 19:31), gaf hij hier gevolg aan voor de twee dieven die met Jezus (as) waren gekruisigd, maar niet voor Jezus (as) zelf (Johannes 19:33). Deze beslissing, ogenschijnlijk gebaseerd op het geloof dat Jezus (as) al dood was, kan in feite een weloverwogen poging zijn geweest om zijn leven te sparen door hem verder trauma en letsel te besparen.

Ten slotte week Pilatus af van het gebruikelijke Romeinse protocol voor de behandeling van de lichamen van gekruisigden. In plaats van Jezus’ lichaam op de executieplaats te laten liggen om te worden blootgesteld aan de elementen en wilde dieren, stond hij toe dat het werd overgedragen aan Jozef van Arimathea, een rijke en invloedrijke discipel (Matteüs 27:57-58). Deze ongebruikelijke gunst stelde Jezus’ volgelingen in staat om voor zijn lichaam te zorgen en mogelijk levensreddende maatregelen te nemen.

Samen wijzen deze acties op een doelbewuste inspanning van Pilatus om Jezus (as) een kans op overleving te geven, zelfs terwijl hij officieel instemde met de eisen van de menigte. Hoewel hij misschien niet openlijk de executie kon voorkomen zonder een opstand uit te lokken, nam hij subtiele maar belangrijke stappen om de mogelijkheid van een wonder – of misschien zelfs een geplande redding – open te laten.

Bewijs 6: Er werden geneeskrachtige kruiden gebruikt

Een vaak over het hoofd gezien maar potentieel cruciaal detail in het evangelieverhaal van Jezus’ begrafenis is het gebruik van geneeskrachtige kruiden door zijn discipelen. Specifiek vermeldt het evangelie van Johannes dat Nicodemus, een prominent lid van het Sanhedrin en een geheime volgeling van Jezus (as), een mengsel van mirre en aloë meebracht, “ongeveer honderd pond” in gewicht, om het lichaam voor te bereiden voor de begrafenis (Johannes 19:39).

Deze enorme hoeveelheid kostbare specerijen was veel meer dan nodig zou zijn geweest voor een normale begrafenis. Inderdaad, het overmatige gebruik van dergelijke substanties bij de behandeling van een lichaam dat onherroepelijk dood was, zou een exorbitante en zinloze verspilling zijn geweest. De aanwezigheid van zulke grote hoeveelheden mirre en aloë suggereert daarom dat de discipelen geloofden dat Jezus (as) nog leefde en dat de kruiden bedoeld waren voor genezing en herstel, niet voor balseming.

Mirre en aloë staan al lang bekend om hun medicinale eigenschappen en werden op grote schaal gebruikt in veel oude culturen. Aloë in het bijzonder staat bekend om zijn vermogen om pijn te verzachten, ontstekingen te verminderen en de genezing van huidwonden en beschadigingen te bevorderen. Zelfs vandaag de dag wordt aloë vera vaak gebruikt in zalven en crèmes om brandwonden, snijwonden en andere huidaandoeningen te behandelen.

De toepassing van deze kruiden op Jezus’ lichaam na de kruisiging zou dus een weloverwogen poging zijn geweest om zijn herstel te bevorderen en infecties of complicaties als gevolg van zijn verwondingen te voorkomen. Het feit dat de discipelen de tijd en moeite namen om deze substanties in zulke grote hoeveelheden te verzamelen en voor te bereiden, wijst op hun overtuiging dat deze inspanningen niet tevergeefs zouden zijn – dat wil zeggen, dat Jezus (as) nog steeds in leven was en baat zou hebben bij de behandeling.

Deze interpretatie wordt verder ondersteund door het feit dat de discipelen Jezus’ lichaam na de kruisafname in een nieuw graf legden en het zorgvuldig in linnen doeken wikkelden samen met de specerijen (Johannes 19:40-42). Als ze ervan overtuigd waren geweest dat hij dood was, zouden zulke maatregelen onnodig en zelfs ongepast zijn geweest. Maar als ze hoopten en verwachtten dat hij zou herstellen, zou het zorgen voor een schone, beschermde ruimte en het toepassen van helende zalven volkomen logisch zijn geweest.

Het is ook vermeldenswaardig dat het gebruik van mirre en aloë voor medicinale doeleinden een gevestigde praktijk was in zowel de Joodse als de bredere Romeinse wereld van die tijd. De eerste-eeuwse Joodse historicus Flavius Josephus vermeldt bijvoorbeeld het gebruik van aloë als een middel om lichamen te zuiveren en onaangename geuren te verdrijven (De Joodse Oorlog, 4.9.2), terwijl de Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere de ontstekingsremmende en wondhelende eigenschappen van mirre beschrijft (Natuurlijke Historie, 12.35).

Opmerkelijk is dat in de islamitische traditie het gebruik van geneeskrachtige kruiden na de kruisiging zelfs nog explicieter wordt erkend. De middeleeuwse Perzische geleerde Avicenna, wiens ‘Canon van de Geneeskunde’ eeuwenlang als het standaard medische leerboek in de islamitische wereld en Europa diende, verwijst naar een zalf bekend als ‘Marhami Isa’ of de ‘Zalf van Jezus’ die werd gebruikt om wonden en verwondingen te behandelen. Hoewel de precieze oorsprong van deze term onzeker is, wijst het op een blijvend besef in de islamitische wereld van de rol die geneeskrachtige substanties speelden in Jezus’ herstel na de kruisiging.

Bewijs 7: Jezus (as) at voedsel en liet zijn wonden zien

Een van de meest intrigerende en potentieel onthullende aspecten van de evangelieverhalen over de gebeurtenissen na de kruisiging, is het gedrag van Jezus (as) zelf. In plaats van zich te gedragen als een herrezen, bovennatuurlijk wezen, lijkt Jezus (as) in zijn interacties met zijn discipelen de acties en houding aan te nemen van iemand die herstelt van ernstig letsel – iemand die nog steeds een fysiek, menselijk lichaam heeft met alle beperkingen en behoeften die daarbij horen.

Ten eerste is er de kwestie van Jezus’ bewegingen na de kruisiging. Zoals men zou verwachten van iemand die ternauwernood aan een executie is ontsnapt, lijkt Jezus (as) een laag profiel te hebben aangehouden en afstand te hebben genomen van de plaats van zijn kruisiging. In plaats van openlijk door de straten van Jeruzalem te gaan en zijn overwinning op de dood te verkondigen, instrueerde hij zijn discipelen om in het geheim naar Galilea te gaan, weg van de hitte van vervolging en controverse (Matteüs 28:10).

Dit gedrag is volkomen logisch vanuit het perspectief van iemand die vreest voor zijn leven en de levens van zijn volgelingen. Als Jezus (as) inderdaad de kruisiging had overleefd, zoals moslims geloven, zou hij zich terdege bewust zijn geweest van het gevaar om in de buurt te blijven en de woede van de autoriteiten opnieuw op te wekken. Zijn beslissing om zich terug te trekken naar een veiliger locatie en zijn interacties te beperken tot zijn meest vertrouwde metgezellen, suggereert de voorzichtigheid van een man op de vlucht, niet de vrijmoedigheid van een goddelijk, onsterfelijk wezen.

Nog veelzeggender is Jezus’ (as) ontmoeting met zijn discipelen na de kruisiging, met name zijn interactie met de twijfelende Thomas. Volgens het evangelie van Johannes presenteerde Jezus (as) zichzelf aan zijn volgelingen en bood hij Thomas aan om zijn wonden van de kruisiging te onderzoeken – de gaten in zijn handen en voeten en de snee in zijn zij (Johannes 20:25-27).

Deze handeling was duidelijk bedoeld om te bewijzen dat Jezus (as) fysiek aanwezig was en geen spook of hallucinatie. Maar het toont ook aan dat zijn lichaam littekens en verwondingen droeg van iemand die intens fysieke trauma had doorstaan. Als Jezus (as) waarlijk uit de dood was opgestaan met een verheerlijkt, onvergankelijk lichaam, waarom zou hij dan de pijnlijke overblijfselen van zijn executie dragen? Zijn bereidheid om zijn wonden te tonen suggereert eerder dat hij nog steeds herstelde van zijn beproevingen, en dat zijn overleving een kwestie was van uithoudingsvermogen en goddelijke genade, niet van bovennatuurlijke transformatie.

Misschien wel het meest onthullende detail van Jezus’ (as) post-kruisiging verschijningen is zijn verzoek om voedsel. Zowel Lucas als Johannes beschrijven ontmoetingen waarbij Jezus (as) zijn discipelen vraagt om iets te eten, en vervolgens vis en honing consumeert in hun aanwezigheid (Lucas 24:41-43, Johannes 21:5-13). 

Dit alledaagse, menselijke gedrag is moeilijk te rijmen met het idee van een herrezen, verheerlijkt lichaam. Waarom zou een wezen dat de dood had overwonnen nog steeds de behoefte of het verlangen hebben naar aards voedsel? De handeling van eten suggereert dat Jezus (as) nog steeds onderworpen was aan de normale biologische processen en behoeften, en dat zijn lichaam voeding nodig had om te herstellen en te functioneren.

Sterker nog, in het evangelie van Lucas benadrukt Jezus (as) expliciet zijn lichamelijkheid en materialiteit tijdens deze ontmoetingen. Tot zijn verbijsterde discipelen zegt hij: “Kijk naar mijn handen en voeten. Ik ben het zelf! Raak me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat ik heb.” (Lucas 24:39).

Met andere woorden, Jezus (as) stelt zijn tastbare, fysieke aanwezigheid tegenover de ontastbaarheid van een geest of visioen. Hij nodigt zijn discipelen uit om hem niet alleen te zien maar ook aan te raken, om zich te overtuigen van zijn materialiteit. Dit is een duidelijke poging om misvattingen uit de weg te ruimen dat zijn verschijning puur spiritueel of illusoir zou zijn.

Bewijs 8: Lijkwade van Turijn

Een fascinerend stuk bewijs dat suggereert dat Jezus (as) de kruisiging overleefde, is te vinden in recent onderzoek naar de beroemde Lijkwade van Turijn. Deze oude doek, waarvan velen geloven dat het het begrafeniskleed van Jezus zelf is, is al eeuwenlang onderwerp van intense belangstelling en controverse.

In hun baanbrekende boek ‘Het Jezus Komplot’ presenteren de Duitse onderzoekers Kersten en Gruber een gedetailleerde analyse van de Lijkwade, gebaseerd op de nieuwste wetenschappelijke technieken en inzichten. Hun bevindingen zijn zowel verrassend als potentieel transformerend voor ons begrip van de gebeurtenissen rond de kruisiging.

Het eerste belangrijke punt dat Kersten en Gruber maken, is dat de Lijkwade authentiek is – dat wil zeggen, een echt historisch artefact en niet een middeleeuwse vervalsing, zoals sommige critici hebben beweerd. Deze conclusie wordt ondersteund door een overvloed aan wetenschappelijk bewijs, waaronder koolstofdatering, pollenanalyse en forensisch onderzoek van de stoffen en beeldvormingstechnieken.

Maar het is het tweede punt van de auteurs dat het meest onthullend is. Op basis van zorgvuldige analyse van de bloedvlekken en het lichaamsbeeld op de Lijkwade, concluderen Kersten en Gruber dat de persoon die erin gewikkeld was nog leefde op het moment dat de afdruk ontstond. Met andere woorden, de Lijkwade toont geen lijk, maar een levend, zij het ernstig gewond, menselijk wezen.

Deze verbazingwekkende bewering wordt ondersteund door verschillende stukjes forensisch bewijs. Ten eerste laten de bloedpatronen op de doek zien dat het bloed nog uit de wonden stroomde – iets wat alleen mogelijk zou zijn als het hart nog klopte en het circulatiesysteem functioneerde. Dit is vooral duidelijk in de bloedophoping in het gebied tussen de rug en het stuitbeen, die alleen kan zijn ontstaan terwijl het lichaam in horizontale positie lag, dat wil zeggen na de kruisafname.

Evenzo suggereert de aanwezigheid van bloed dat uit de hielwond stroomt dat de bloedsomloop nog steeds actief was. Als het hart gestopt was met kloppen, zoals het geval zou zijn bij een lijk, zou er eenvoudigweg niet genoeg druk zijn om het bloed naar zo’n extreem punt te stuwen.

Deze bevindingen worden verder ondersteund door het werk van Dr. Miguel Lorente, een forensisch expert aan de Universiteit van Granada. In zijn artikel “Forensische Analyse van het Beeld en de Bloedvlekken op de Lijkwade van Turijn” stelt Dr. Lorente onomwonden dat het beeld op het doek afkomstig is van een levend persoon, niet van een lijk. Zijn gedetailleerde studie van de bloedpatronen en lichaamskenmerken biedt nog meer bewijs dat Jezus (as) de kruisiging overleefde en nog in leven was toen hij in de Lijkwade werd gewikkeld.

Als we deze bevindingen combineren met het groeiende corpus van historisch en scripturair bewijs, ontstaat er een overtuigend beeld van Jezus (as) als een man die de gruwelen van de kruisiging doorstond en erdoorheen leefde. In plaats van een bovennatuurlijke opstanding, suggereert de wetenschap een medisch wonder – een wonder van menselijk uithoudingsvermogen, goddelijke genade en zorgzame verzorging door toegewijde volgelingen.

Deze interpretatie wordt verder ondersteund door taalkundig bewijs dat Kersten en Gruber aanhalen. Zoals zij opmerken, heeft het woord dat in de Bijbel wordt gebruikt voor ‘opstanding’ een dubbelzinnige betekenis, en kan het ook verwijzen naar ‘weer tot leven wekken’ in de zin van ‘genezen’. Met andere woorden, de oorspronkelijke teksten kunnen heel goed een herstel van ernstig letsel hebben beschreven in plaats van een terugkeer uit de doden.

Conclusie

Wanneer we al deze bewijslijnen samenbrengen – de Schrift, de geschiedenis, de wetenschap en het gezond verstand – ontstaat er een overtuigend beeld van Jezus (as) als een man die de kruisiging overleefde en zijn missie voortzette, zij het op een meer discrete manier. In plaats van een vervloekte dood aan het kruis te sterven, kwam hij levend van dat martelwerktuig af en reisde naar het oosten, waar hij de verloren stammen van Israël opzocht en zijn boodschap van waarheid en verlossing bracht.

Uiteindelijk, zo gaat het verhaal, bereikte Jezus (as) Kashmir, waar hij een natuurlijke dood stierf en begraven werd. Zijn graf, zo wordt ons verteld, is nog steeds te zien in Srinagar, een tastbaar bewijs van zijn uiteindelijke lot en een plaats van eerbiedige herinnering voor degenen die zijn ware erfenis koesteren.

Voor moslims biedt dit verhaal een krachtige bevestiging van de Koranische leer over Jezus (as) en zijn bestemming. Het stemt overeen met de islamitische overtuiging dat hij een geëerde profeet en boodschapper van God was, die werd gered van de dood aan het kruis en levend in de hemel werd opgenomen.