Finaliteit van Profeetschap
De Heilige Profeet (vzmh) is de laatste wet-dragende profeet en de Heilige Koran is de perfecte wet voor de gehele mensheid. Er kan geen nieuwe wet komen of een profeet die een nieuwe leer aankondigt. Echter, de Heilige Koran en Ahadith zijn duidelijk dat het profeetschap niet volledig is verzegeld. De Messias zou ongetwijfeld een profeet zijn.
Bewijzen uit de Heilige Koran
Inleiding
De Heilige Profeet Mohammed (sa) heeft de perfecte wet, de Heilige Koran, gebracht. Na dit volmaakte boek kan geen nieuwe wet meer komen voor de mensheid. De komst van een nieuwe wetgeving is beëindigd. Profeetschap na de Heilige Profeet Mohammed (sa) is uitsluitend te verkrijgen door volledige gehoorzaamheid aan Allah en de Heilige Profeet. Dit is in volledige harmonie met de Heilige Koran en de overleveringen (ahadith). Laten we enkele relevante Koranische verzen onderzoeken die deze realiteit bevestigen.
Vers 1: Vier beloningen voor de moslims
Allah zegt in de Heilige Koran:
وَمَنْ يُطِعِ اللَّهَ وَالرَّسُولَ فَأُولَٰئِكَ مَعَ الَّذِينَ أَنْعَمَ اللَّهُ عَلَيْهِمْ مِنَ النَّبِيِّينَ وَالصِّدِّيقِينَ وَالشُّهَدَاءِ وَالصَّالِحِينَ ۚ وَحَسُنَ أُولَٰئِكَ رَفِيقًا
“En wie Allah en deze boodschapper gehoorzaamt, zal zijn onder degenen aan wie Allah Zijn zegeningen heeft geschonken, namelijk, de profeten, de waarachtigen, de martelaars en de goeden, en dezen zijn uitstekende metgezellen.” (4:70)
Dit vers vertelt ons dat degene die Allah en de Heilige Profeet Mohammed (sa) gehoorzaamt, ‘onder degenen zal zijn aan wie Allah Zijn zegeningen heeft geschonken’. En aan wie schenkt Allah Zijn zegeningen? Allah noemt vier categorieën: ‘de profeten, de waarachtigen, de martelaren en de goeden, en dezen zijn uitstekende metgezellen.’ Deze vier titels zijn dus te verkrijgen door gehoorzaamheid aan Allah en Zijn Profeet, inclusief profeetschap.
Moslims bidden dagelijks voor deze gunsten tijdens het gebed, met name bij het reciteren van Soera Al-Fatihah, waarin wordt gezegd: “Leid ons op het rechte pad, het pad van hen op wie Uw zegeningen zijn neergedaald.” Het bovengenoemde vers (4:70) specificeert deze zegeningen, waaronder profeetschap. Ironisch genoeg bidden moslims dus dagelijks voor profeetschap terwijl velen het concept ervan na de Heilige Profeet (sa) ontkennen.
Daarnaast worden in Soera Al-Fatihah ook “al-maghdub” (degenen die de toorn van Allah hebben opgewekt) en “ad-dalin” (de dwalenden) genoemd. Volgens een overlevering heeft de Heilige Profeet Mohammed (sa) gezegd dat met “al-maghdub” de joden worden bedoeld en met “ad-dalin” de christenen. De reden hiervoor is dat beide groepen onrechtvaardig hebben gehandeld tegenover Jezus (as). De joden weigerden hem te erkennen als een profeet, deels omdat zij de voorspellingen over de komst van de Messias letterlijk interpreteerden.
Zij geloofden dat de profeet Elia (as) levend in de hemel was en fysiek zou terugkeren. Ironisch genoeg maken veel moslims vandaag de dag een vergelijkbare fout door te geloven dat Jezus (as) fysiek naar de hemel is gestegen en vanuit de hemel zal wederkeren. Soera Al-Fatihah waarschuwt ons om niet in de voetsporen van de joden te treden en leert ons te bidden voor leiding op het rechte pad.
Vers 2: De Sunnah van Allah de Almachtige
In de islam is profeetschap een fundamenteel concept dat de communicatie tussen Allah en Zijn schepping mogelijk maakt. De Heilige Koran benadrukt het belang van profeetschap en bevestigt de voortdurende aard ervan in overeenstemming met Allah’s sunnah (gewoonte of handelwijze). Een duidelijk voorbeeld hiervan is te vinden in het volgende vers:
اللَّهُ يَصْطَفِي مِنَ الْمَلَائِكَةِ رُسُلًا وَمِنَ النَّاسِ ۚ إِنَّ اللَّهَ سَمِيعٌ بَصِيرٌ
“Allah kiest boodschappers uit het midden der engelen, eveneens uit het midden der mensen. Voorzeker, Allah is Alhorend, Alziend.” (22:75)
Dit vers beschrijft de sunnah van Allah, de Almachtige, om Zijn boodschappers te kiezen uit zowel engelen als mensen. Het gebruik van het woord ‘yastafi’ (kiezen) in de grammaticale vorm ‘mudari’ is bijzonder significant. In de Arabische grammatica duidt ‘mudari’ op een handeling die zowel in het heden als in de toekomst plaatsvindt. Als Allah alleen naar het verleden zou verwijzen, zou het woord ‘istafa’ (koos) zijn gebruikt. De keuze voor ‘yastafi’ benadrukt de continuïteit van Allah’s handelwijze in het kiezen van boodschappers, niet alleen in het verleden, maar ook in het heden en de toekomst. Bovendien bevestigt het volgende vers de onveranderlijkheid van Allah’s sunnah:
وَلَنۡ تَجِدَ لِسُنَّۃِ اللّٰہِ تَبۡدِیۡلً
“En in Allah’s handelwijze zult gij geen verandering vinden.” (33:62)
Dit vers onderstreept dat Allah’s gewoonte om boodschappers te kiezen een constante is die niet aan verandering onderhevig is. Het is een integraal onderdeel van Zijn goddelijke plan en wijsheid. De onveranderlijkheid van Allah’s sunnah heeft belangrijke implicaties voor ons begrip van profeetschap en goddelijke leiding. Het suggereert dat profeetschap niet beperkt is tot een bepaalde periode of een bepaald volk, maar eerder een voortdurend proces is waardoor Allah Zijn leiding en genade schenkt aan de mensheid.
Vers 3: Profeten gekozen in de toekomst
Allah vertelt ons in de Heilige Koran:
يَا بَنِي آدَمَ إِمَّا يَأْتِيَنَّكُمْ رُسُلٌ مِنْكُمْ يَقُصُّونَ عَلَيْكُمْ آيَاتِي ۙ فَمَنِ اتَّقَىٰ وَأَصْلَحَ فَلَا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ
“O kinderen van Adam, als er boodschappers vanuit uw midden tot u komen, die Mijn tekenen aan u verkondigen, dan zal er over hen die godvrezend zijn en goede daden verrichten geen vrees komen, noch zullen zij treuren.” (Hoofdstuk 7, Vers 36)
Dit vers maakt duidelijk dat het aanstellen van boodschappers niet alleen in het verleden plaatsvond, maar dat Allah dit zal blijven doen. De woorden “als er boodschappers vanuit uw midden tot u komen” verwijzen ondubbelzinnig naar de toekomst, aangezien de Arabische grammaticale constructie “Nun Ta’kid” is gebruikt. Deze constructie duidt op een handeling die in de toekomst met zekerheid zal plaatsvinden, wat de continuïteit van het profeetschap benadrukt.
Hafiz Abdur Rahman van Amritsar legt in zijn boek “Kitabus-Sarf” over Arabische grammatica uit: “Nun Ta’kid is verbonden met het einde van de Mudari’ (tegenwoordige-toekomstige tijd). Het plaatst een fatha (korte ‘a’-klank) aan het einde van de noen en geeft aan dat het werkwoord in de toekomende tijd staat. Een voorbeeld van Mudari’ Mu’akkad bi Lam Ta’kid is ‘Yaf’alanna’ (wat betekent dat hij het in de toekomst zeker zal doen).” Deze grammaticale analyse onderstreept de zekerheid van toekomstige profeten, zoals vermeld in vers 7:35.
De aanspreekvorm “O, kinderen van Adam” komt op verschillende plaatsen in de Heilige Koran voor en heeft een diepe betekenis met betrekking tot de continuïteit van het profeetschap. Volgens prominente geleerden zoals Imam Jalal-ud-din Suyuti (in “Tafsīr Itqan”, vol. 2, p. 32) en Imam Fakhr-ud-Deen Razi (in “Tafsir Hussani”, vol. 1, p. 305) verwijst deze uitdrukking naar de Heilige Profeet Mohammed (sa) en de mensen die na hem zullen komen, inclusief toekomstige profeten en hervormers.
Een ander voorbeeld van het gebruik van “O, kinderen van Adam” is te vinden in vers 7:31:
یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ خُذُوۡا زِیۡنَتَکُمۡ عِنۡدَ کُلِّ مَسۡجِدٍ وَّکُلُوۡا وَاشۡرَبُوۡا وَلَا تُسۡرِفُوۡ
“O, kinderen van Adam, let op uw uiterlijk ter gelegenheid van aanbidding en eet en drinkt, maar verkwist niet. Hij heeft de verkwisters zeker niet lief.” (7:32)
Andere gerespecteerde Korancommentatoren, zoals Ibn Kathir en Maulana Maududi, hebben ook benadrukt dat vers 7:35 verwijst naar de voortdurende komst van profeten en boodschappers na de Heilige Profeet Mohammed (sa), zolang zij in overeenstemming met zijn leringen handelen en geen nieuwe religieuze wetten introduceren.
Vers 4: Verbond met alle profeten
In de Heilige Koran vermeldt God een opmerkelijk verbond dat Hij met alle profeten heeft gesloten. Dit verdrag, dat de eeuwige wijsheid en barmhartigheid van God jegens de mensheid weerspiegelt, wordt als volgt beschreven:
وَاِذۡ اَخَذَ اللّٰہُ مِیۡثَاقَ النَّبِیّٖنَ لَمَاۤ اٰتَیۡتُکُمۡ مِّنۡ کِتٰبٍ وَّحِکۡمَۃٍ ثُمَّ جَآءَکُمۡ رَسُوۡلٌ مُّصَدِّقٌ لِّمَا مَعَکُمۡ لَتُؤۡمِنُنَّ بِہٖ وَلَتَنۡصُرُنَّہٗ
“En toen Allah met de profeten een verbond sloot, zeide Hij: ‘Voorwaar, Ik heb u het Boek en de Wijsheid geschonken en daarna zal een boodschapper tot u komen, vervullend hetgeen bij u is; in hem zult gij geloven en hem zult gij helpen.'” (3:82)
Dit krachtige vers onthult de diepgaande belofte van God aan Zijn profeten. Het benadrukt dat wanneer een profeet verschijnt die de boodschap van zijn voorgangers bevestigt en vervult, het de plicht is van de gelovigen om hem te accepteren en te steunen. Deze goddelijke richtlijn verzekert de continuïteit van spirituele leiding.
Het is belangrijk op te merken dat dit verbond niet slechts met één profeet werd gesloten, maar met alle profeten die door God werden uitverkoren. Dit wordt bevestigd in een ander vers van de Heilige Koran:
“En toen Wij met de profeten een verbond sloten: met u, met Noach, Abraham, Mozes en Jezus, de zoon van Maria, sloten Wij een hecht verbond.” (33:8)
Door specifiek enkele van de meest prominente profeten in de geschiedenis van de mensheid te noemen, onderstreept God de universaliteit en het belang van dit verbond. De implicaties van dit verbond zijn verreikend en diepgaand. Het suggereert dat profeetschap een continu proces is, waarbij elke profeet de komst van een toekomstige profeet voorziet en bevestigt.
Vers 5: Profeten komen in een tijd van duisternis
De Heilige Koran getuigt van de eeuwige barmhartigheid en wijsheid van God in het sturen van profeten wanneer de mensheid afdwaalt van het rechte pad.
وَلَقَدْ ضَلَّ قَبْلَهُمْ أَكْثَرُ ٱلْأَوَّلِينَ – وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا فِيهِم مُّنذِرِينَ
“En voorzeker dwaalden vóór hen velen der ouden. En Wij hadden waarschuwers tot hen gezonden.” (37:72-73)
Deze verzen onthullen een fundamenteel patroon in de handelwijze van God met Zijn schepping. Wanneer het merendeel van een volk verdwaalt en de duisternis van ongeloof en onrecht de overhand krijgt, doet God uit hun midden een profeet opstaan om hen terug te leiden naar het licht van goddelijke leiding. Het woord ‘waarschuwers’ wordt in de Koran vaak gebruikt als een synoniem voor profeten, zoals blijkt uit het volgende vers:
فَبَعَثَ ٱللَّهُ ٱلنَّبِيِّـۧنَ مُبَشِّرِينَ وَمُنذِرِينَ
“Daarna verwekte Allah profeten als brengers van goede tijdingen en als waarschuwers.” (2:214)
In de context van de islamitische geschiedenis rijst de vraag of de volgelingen van de Heilige Profeet Mohammed (as) ook zouden afdwalen van het rechte pad. Helaas is het antwoord op deze vraag bevestigend, zoals blijkt uit verschillende profetieën van de Heilige Profeet zelf.
In een overlevering die is opgetekend in de verzameling van Tirmidhi, waarschuwde de Heilige Profeet (sa) dat zijn ummah verdeeld zou raken in 73 sekten, waarvan alle het Vuur zouden binnengaan, behalve één. Deze profetie wijst op een tijd van diepe verdeeldheid en religieuze verwarring, waarin de meerderheid van de moslims het rechte pad zou verlaten.
Nog een andere profetie luidt als volgt:
“Mijn mensen zullen een tijdperk meemaken waarin er niets zal overblijven van de islam, behalve de naam, en er zal niets overblijven van de Koran, behalve de tekst. Hun moskeeën zullen vol zijn met aanbidders, maar zij zullen leeg zijn van leiding. Hun geleerden zullen de slechtste schepselen zijn onder de hemelse creatie. Vanuit hen zal ophitsing en kwaad zich verspreiden en uiteindelijk zal dit weer tot hen terugkeren.” (Mishkat Kitabul Ilm, boek 2, hadith 72)
In het licht van deze profetieën wordt de noodzaak van goddelijke tussenkomst door middel van een profeet duidelijk. Als de moslims zelf zouden afdwalen van het rechte pad, wie anders dan een door God gezonden gids zou hen kunnen terugbrengen naar de ware islam?
Hazrat Mirza Ghulam Ahmad (as) verscheen in een tijd van grote religieuze en morele duisternis, waarin materialisme, ongeloof en sektarische verdeeldheid hoogtij vierden. Als een ware dienaar van de Heilige Profeet Mohammed (sa) wijdde hij zijn leven aan het hervormen van de moslimgemeenschap en het verspreiden van de tijdloze boodschap van de islam naar de uithoeken van de aarde.
Zijn missie was een manifestatie van Gods eeuwige belofte om profeten te sturen in tijden van duisternis, om de mensheid terug te leiden naar het rechte pad. Door zijn woorden en daden ontstak hij een licht van spirituele vernieuwing en hoop, dat blijft schijnen als een baken voor zoekende zielen in een verward en verdeeld tijdperk.
Vers 6: Een geloof uit het verleden
De Heilige Koran bevat talrijke verhalen over vroegere profeten en hun volgelingen, die niet alleen dienen als historische verslagen, maar ook als leidraden en waarschuwingen voor toekomstige generaties. Een treffend voorbeeld hiervan is te vinden in het volgende vers:
وَلَقَدۡ جَآءَکُمۡ یُوۡسُفُ مِنۡ قَبۡلُ بِالۡبَیِّنٰتِ فَمَا زِلۡتُمۡ فِیۡ شَکٍّ مِّمَّا جَآءَکُمۡ بِہٖ ؕ حَتّٰۤی اِذَا ہَلَکَ قُلۡتُمۡ لَنۡ یَّبۡعَثَ اللّٰہُ مِنۡۢ بَعۡدِہٖ رَسُوۡلًا ؕ کَذٰلِکَ یُضِلُّ اللّٰہُ مَنۡ ہُوَ مُسۡرِفٌ مُّرۡتَابُ
“En voordien kwam Jozef tot u met duidelijke tekenen, maar gij bleeft twijfelen aan hetgeen hij u bracht. Doch toen hij stierf, zeidet gij: ‘Allah zal na hem geen boodschapper meer zenden.’ Alzo laat Allah de buitensporigen en de twijfelaars dwalen.” (40:35)
Dit vers onthult een gevaarlijk geloofspatroon dat zich voordeed onder de volgelingen van de profeet Jozef (as). Ondanks de duidelijke tekenen en bewijzen die hij bracht, bleven velen twijfelen aan zijn boodschap. Ook concludeerden zij ten onrechte dat God geen andere boodschapper na hem zou sturen.
De Heilige Koran waarschuwt dat dit soort denken kenmerkend is voor “de buitensporigen en de twijfelaars” – degenen die de grenzen van geloof en rede overschrijden en zich overgeven aan twijfel en ontkenning. Het gebruik van de werkwoorden “Yudillu” (Hij laat dwalen) en “Yujadillu” (die redekavelen) in de tegenwoordige en toekomende tijd, impliceert dat dit geloofspatroon zich zou kunnen herhalen bij latere generaties.
De relevantie van dit verhaal voor de volgelingen van de Heilige Profeet Mohammed (sa) wordt benadrukt in een ander vers:
مَا یُقَالُ لَکَ اِلَّا مَا قَدۡ قِیۡلَ لِلرُّسُلِ مِنۡ قَبۡلِکَ
“Er is niets tot u gezegd behalve hetgeen aan de boodschappers vóór u was gezegd.” (41:44)
Dit vers vestigt een sterk verband tussen de ervaringen van eerdere profeten en die van de Heilige Profeet Mohammed (sa). Het suggereert dat de uitdagingen, twijfels en ontkenningen waarmee hij werd geconfronteerd niet nieuw waren, maar echo’s van de beproevingen waarmee zijn voorgangers werden geconfronteerd.
Sterker nog, de Heilige Koran vermeldt dat zelfs ten tijde van de Heilige Profeet Mohammed (sa), sommige volgelingen van eerdere profeten de overtuiging hadden aangenomen dat de deur van het profeetschap voorgoed gesloten was:
وَأَنَّهُمْ ظَنُّوا۟ كَمَا ظَنَنتُمْ أَن لَّن يَبْعَثَ ٱللَّهُ أَحَدًۭا
“En inderdaad, zij dachten, net zoals jullie denken, dat Allah nooit een Boodschapper meer zou verkiezen.” (72:7)
Deze verklaring, toegeschreven aan een groep djinn die de vermaning van de Heilige Profeet (sa) had gehoord, onthult een verbazingwekkende parallelle denkwijze tussen de volgelingen van eerdere profeten en sommige tijdgenoten van de Heilige Profeet (sa).
In het licht van deze Koranische openbaringen, was het bijna onvermijdelijk dat een vergelijkbaar geloof in de absolute finaliteit van het profeetschap zou ontstaan onder sommige moslims na het overlijden van de Heilige Profeet Mohammed (sa). Dit geloof, hoewel wijdverbreid, is echter niet in overeenstemming met de leringen van de Heilige Koran en de profetische traditie.
Vers 7: Bestraffing komt na de komst van een profeet
De Heilige Koran bevat een intrigerende reeks verzen die het verband aantonen tussen de komst van profeten en de goddelijke bestraffing van gemeenschappen die hun boodschap verwerpen. Deze verzen bieden niet alleen inzicht in de handelwijze van God met de mensheid, maar werpen ook licht op de relevantie van profeetschap in de toekomst.
Allereerst verklaart God in de Heilige Koran:
وَاِنۡ مِّنۡ قَرۡیَۃٍ اِلَّا نَحۡنُ مُہۡلِکُوۡہَا قَبۡلَ یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ اَوۡ مُعَذِّبُوۡہَا عَذَابًا شَدِیۡدًا
“Er is geen stad of Wij zullen die vóór de Dag der Opstanding verdelgen of streng straffen. Dit staat in het Boek geschreven.” (17:58)
Dit vers wijst op een tijdschema van goddelijke vergelding die zich zal voltrekken vóór de Dag des Oordeels. Het impliceert dat gemeenschappen die afdwalen van het rechte pad en zich overgeven aan ongeloof en ongerechtigheid, geconfronteerd zullen worden met vernietiging of zware bestraffing als gevolg van hun daden.
Tegelijkertijd stelt de Heilige Koran een cruciale voorwaarde voor dergelijke bestraffing:
وَمَا کُنَّا مُعَذِّبِیۡنَ حَتّٰی نَبۡعَثَ رَسُوۡلً
“En Wij straffen nimmer voordat Wij een boodschapper hebben gezonden.” (17:15)
Dit vers onthult een fundamenteel principe van goddelijke rechtvaardigheid: God zal geen volk straffen zonder eerst een profeet of boodschapper te sturen om hen te waarschuwen. Het sturen van een boodschapper is dus een noodzakelijke voorwaarde.
Wanneer we deze twee verzen samen beschouwen, ontstaat er een duidelijk beeld van de voortdurende relevantie van profeetschap. Als goddelijke bestraffing zal plaatsvinden vóór de Dag des Oordeels, en als dergelijke bestraffing alleen kan plaatsvinden na de komst van een profeet, dan volgt logischerwijs dat God profeten zal blijven sturen tot het beslissende uur.
Deze interpretatie wordt ondersteund door verschillende profetieën van de Heilige Profeet Mohammed (sa) over de toekomstige komst van hervormers en profeten binnen zijn ummah.
Voor Ahmadi-moslims bereikte dit proces zijn hoogtepunt met de komst van Hazrat Mirza Ghulam Ahmad (1835-1908), de stichter van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap. Zij geloven dat hij de beloofde Messias en Mahdi was, door God gezonden om de islam in zijn oorspronkelijke zuiverheid te herstellen en de mensheid voor te bereiden op het eindoordeel.
Zijn verschijning, beweren Ahmadi-moslims, was een vervulling van de Koranische belofte van goddelijke leiding en een manifestatie van Gods eeuwige genade jegens de mensheid. Door zijn woorden en daden riep hij de gelovigen op om terug te keren naar de ware leerstellingen van de islam, de banden van broederschap en eenheid te versterken, en zich voor te bereiden op de definitieve triomf van gerechtigheid en geloof.
